Aan het begin van de 18e eeuw ontstonden diverse champagnehuizen, met namen als Ruinart, Clicquot en Moët & Chandon. Misschien klinkt Henry de Vaugency wat onbekender, maar ook hij speelde een rol in die vroege periode. Dit roept de vraag op: waarom werden juist rond 1730 zoveel champagnehuizen opgericht?
Er zijn vooral twee belangrijke ontwikkelingen die dit verklaarden:
1. De opkomst van flessenfermentatie en kurk
Tot het begin van de 18e eeuw was wijn uit de Champagne vaak plat, onstabiel en zelden mousserend. Tussen 1700 en 1720 werd de techniek van tweede gisting op fles verfijnd, waardoor men bewust mousserende wijn kon produceren, in plaats van toevallige “sprankelende mislukkingen”.
Tegelijkertijd maakten sterkere glasflessen en de introductie van Portugese kurk het technisch mogelijk om mousserende wijn veilig op te slaan, zonder dat de flessen explodeerden. Dankzij deze innovaties kon champagne eindelijk een betrouwbaar en luxe product worden, dat klaar was voor een veeleisend publiek.
2. Groeiende vraag van adel en elite
In de eerste helft van de 18e eeuw groeide de rijkdom en verfijnde smaak van de Franse en Europese elite aanzienlijk. De hofcultuur van Lodewijk XV (regering 1715–1774) stond bol van elegantie, verfijning en feestelijkheid. Champagne paste perfect bij deze levensstijl: licht, sprankelend en “modern”, een mooi contrast met de zware rode wijnen die daarvoor populair waren.
Daarnaast kwam de export naar Engeland, Nederland en Rusland op gang, geholpen door betere transportnetwerken en de commerciële contacten van de Champenois-families. Zo ontstond een internationale markt die de opkomst van de eerste grote champagnehuizen mogelijk maakte.